#

Stichting 1F

11 Aug 2015

Een tijdje terug kreeg ik een mailtje van een journalist op mijn JD-penningmeesters mail voor een gesprek met de Correspondent. Helaas wilden ze niks weten over mijn penningmeesterschap bij de JD en alle spannende avonturen die ik mee heb gemaakt tijdens het verwerken van declaraties en subsidieaanvragen. Ik was uitgenodigd om als medeoprichter en bestuurslid van Stichting 1F iets te vertellen over, onder andere, het vreemdelingenbeleid jegens vermeende Afghaanse oorlogsmisdadigers. Terwijl ik dit stukje schrijf zit ik in de trein naar Amsterdam voor het gesprek met De Correspondent. Deze treinreis lijkt mij een uiterst geschikt moment om mijn stukje over Stichting 1F voor de O&B te schrijven, ondanks dat ik de redactie had beloofd dat dit stukje 5 weken geleden klaar zou zijn.

In 2013, nog voordat ik actief was bij de JD, hebben 6 vrijwilligers, waaronder ik, Stichting 1F opgezet met het doel om het inhumane beleid van de Immigratie en Naturalisatiedienst (IND) jegens circa 800 vermeende Afghaanse oorlogsmisdadigers te veranderen. Het beleid, ook wel artikel 1F-beleid genoemd, is de implementatie van artikel 1F van de Geneefse Conventies en houdt kort gezegd in dat een individu van asiel mag worden uitgesloten als er vermoedens zijn dat diegene oorlogsmisdaden heeft gepleegd.

In het ambtsbericht ‘Veiligheidsdiensten in communistisch Afghanistan (1978-1992)’ uit het jaar 2000 staat dat iedereen die vanaf de rank van onderofficier tussen 1978 en 1992 voor het Afghaanse leger, politie of geheime dienst heeft gewerkt zich schuldig heeft gemaakt aan oorlogsmisdaden. Iedereen binnen deze groep krijgt automatisch artikel 1F toegewezen wordt dus uitgesloten van asiel. Onduidelijk is echter op welke bronnen deze beschuldigingen gebaseerd zijn want de bronnen worden niet vrijgegeven omdat ze vertrouwelijk zijn. De Hoge Commissaris voor De Vluchtelingenzaken van de Verenigde Naties (UNHCR), Amnesty International, Human Rights Watch en verschillende Afghanistan deskundigen betwisten de juistheid en de objectiviteit van het ambtsbericht.

Zo is het ambtsbericht in Pakistan opgesteld en zijn verhoudingen tussen Afghanistan en Pakistan niet meegenomen terwijl deze twee landen tussen 1978 en 1992 in staat van oorlog met elkaar waren. Ondanks de kritiek blijft de IND en de vreemdelingenrechters vasthouden aan de informatie in het ambtsbericht omdat het de status van een ‘deskundigenrapport’ heeft.

Naast dat er twijfels zijn over de objectiviteit van het ambtsbericht, wordt artikel 1F van de Geneefse Conventies ook niet conform het internationaal recht toegepast door de IND. Het internationaal recht schrijft voor dat vreemdelingen individueel getoetst moeten worden in het licht van artikel 1F. M.a.w. bij elke vluchteling moet er individueel aannemelijk gemaakt worden of diegene oorlogsmisdaden heeft gepleegd. De toetsing van de IND beperkt zich echter tot het vaststellen of een vreemdeling vanaf de rank van onderofficier bij het leger, politie of geheime dienst heeft gewerkt. Als dit het geval is krijgt de vreemdeling automatisch een 1F-status toegewezen en wordt hij of zij uitgesloten van asiel. Dit gebeurt op basis van collectieve vermoedens over een organisatie zonder enkele vorm van individueel bewijs tegen de vreemdeling. Bovendien hanteert de IND ook een omgekeerde bewijslijst. Dit houdt in dat deze 1F-vluchtelingen schuldig worden bevonden mits ze hun onschuld bewijzen. In 15 jaar is het echter nog geen enkele 1F-vluchteling gelukt om zijn onschuld te bewijzen omdat de bronnen van het ambtsbericht geheim zijn en alle bewijsstukken uit Afghanistan van tafel worden geveegd aangezien Afghanistan als corrupt te boek staat. Hierdoor kunnen 1F-vluchtelingen zich niet verdedigen tegen de beschuldigingen en wordt het nagenoeg onmogelijk voor deze groep om hun onschuld te bewijzen. Het gevolg hiervan is dat ook administratieve, logistieke en medische officieren de stempel ‘oorlogsmisdadiger’ hebben. Niet omdat ze oorlogsmisdaden hebben gepleegd maar omdat ze hun onschuld niet kunnen bewijzen. Zelfs de huidige Afghaanse regering, die zeer vijandig is jegens het toenmalige regime, stelt dat niet alle officieren betrokken zijn geweest bij misdaden.

Ondanks dat 1F-vluchtelingen collectief worden uitgesloten van asiel, mogen velen op grond van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) niet gedwongen worden uitgezet omdat ze direct gevaar lopen in land van herkomst. Deze mensen werden door de IND ‘ongewenst’ verklaard en kregen hierdoor een ‘mort civil’-status (burgerlijk dood). Dit is een platvloerse manier om vrijwillige vertrek te stimuleren en een moderne vorm een vogelvrijverklaring omdat een vreemdeling geen aanspraak meer kan doen welk recht dan ook. Veel 1F-vluchtelingen hebben om strafrechtelijke vervolging gevraagd om uit dit juridisch vacuüm te komen en om, al dan niet, hun onschuld te bewijzen. Maar omdat het bewijs collectief van aard is en artikel 1F op bestuurlijk niveau toegepast worden, wil het OM niet overgaan tot strafrechtelijke vervolging omdat er vooralsnog ‘’geen vermoeden van schuld is’’. Er zijn in de afgelopen 15 jaar maar 3 van de circa 800 1F-vluchtelingen strafrechtelijk vervolgd en één daarvan is veroordeeld.

Stichting 1F is niet tegen de toepassing van artikel 1F an sich maar tegen de invulling die de IND aan dit artikel geeft. Nederland, samen met Luxemburg, zijn namelijk de enige twee landen in de wereld die individuen uitsluiten op basis van collectieve vermoedens. Net als de UNHCR, de Nationale Ombudsman, de Nederlandse Juristen Comité voor de Mensenrechten (NJCM) en een aantal politieke partijen pleit stichting 1F ook voor individuele toetsing van artikel 1F en herbeoordeling van het ambtsbericht.

In 2013 heb ik op het D66-congres in samenwerking met thema-afdeling Democratie & Rechtstaat een motie ingediend voor individuele toetsing van artikel 1F en herbeoordeling van het ambstbericht. Deze is aangenomen en heeft geresulteerd in Kamervragen aan toenmalig staatssecretaris Teeven. Helaas zijn de vragen voor het grootste gedeelte onbeantwoord gebleven. Net als sommige bonnetjes op het Ministerie van Veiligheid en Justitie waren de bronnen van het ambtsbericht ook niet meer te achterhalen. Voor Stichting 1f doe ik de perswoordvoering en vanuit die functie heb de organisatie mogen vertegenwoordigen in lokale media, maar ook in nationale media zoals de NOS, Radio 1 en vandaag dus bij de Correspondent. Terwijl ik dit schrijf is het interview met de Correspondent al geweest en zit ik weer in de trein naar Groningen. Deze treinreis is opmerkelijk snel gegaan want ik ben al bij Assen.

Categorie: Weblog